| Preek van de week |
|
|
||
| 25 december - Kerstmis |
|
|
Lezingen:
Jesaja
9,1-6
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
Een kind dat ons uitnodigt
In
juni 1942, toen de eerste tekenen van de Jodenuitroeiing in Nederland
duidelijk werden, was Etty Hilleseum, een jonge vrouw van 27 reeds een
jaar bezig haar spirituele zoektocht in kleine schriftjes op te tekenen.
Kort voor ze op 15 september 1943 verdween in de tragische anonimiteit
van Auschwitz, schreef ze: "Iemand zal toch moeten overleven om te
getuigen dat God nog leefde in een tijd als de onze. En waarom zou ik
die getuige niet zijn?" De manier waarop zij God ervaarde sluit op
aangrijpende wijze aan bij het kerstfeest dat we vieren. De harde
realiteit kan niet ontvlucht worden. Juist daar middenin, in het
concentratiekamp van Westerbork ontdekte Etty God op een verrassende
manier.
Lucas evoceert op zijn manier een situatie van
onderdrukking ten tijde van de Romeinse keizer Augustus. In deze
politiek bewogen tijd situeert hij de geboorte van Jezus van Nazareth.
Het historisch kader is daarbij veelzeggend. Het was in de tijd dat
keizer Augustus een volkstelling hield toen Quirinius landvoogd van
Syrië was. Het klopt helemaal niet met de feiten. Van een volkstelling
is er bij Jezus’ geboorte geen sprake. Lucas gebruikt dit als een middel
om de algemene sfeer van die dagen op te roepen. Hij wil Jezus namelijk
voorstellen als een nieuw begin, een nieuwe historische gestalte. Het kader van keizer Augustus is hierbij heel handig.
De volkstelling doet Jozef en Maria op weg gaan naar Bethlehem. De stad
van koning David. U weet wel, David: bijna had men hem over het hoofd
gezien als koningskandidaat. Zijn vader Isaï meende dat hij alleen zijn
sterke zonen als kandidaat-koning kon presenteren. En daar was David
niet bij. Hij hoedde de schapen en de geiten. Ze moesten hem halen om
koning te zijn. Naar die plek Bethlehem gaan Jozef en Maria op weg. Het
is een plek van niemendal. Juist hier begint iets nieuws. Keizer Augustus daarentegen liet zich vereren als de
onoverwinnelijke zon. Als goddelijke redder. Onder zijn bewind hield de
Pax Romana stand, de vrede die te vuur en te zwaard onder
controle werd gehouden. Daarvan is die volkstelling juist een
illustratie. In de joodse traditie was zoiets ten strengste verboden.
Een koning in Israël zou nooit een volkstelling houden. David had dat
één keer toch gedaan en daar was God gewoon woedend over. Want waar
anders is een volkstelling goed voor dan om te weten hoeveel mannen
kunnen gerecruteerd worden voor het leger en hoeveel belastingen kunnen
geïnd worden. Een volkstelling hoort thuis binnen een logica die
compleet tegengesteld is aan de aangekondigde zoon van David. Het verhaal van Jezus’ geboorte roept dit contrast
heel scherp op. Van politieke macht is geen spoor te bekennen bij de
geboorte van een kind. In plaats van een sfeer van terreur is er het
woord van de engel: "vrees niet". Een woord gericht tot Maria en tot de
herders. Er is een stralend licht waarbij de ster van Augustus verbleekt.
En de herders gaan uit eigen beweging op weg, door niemand gedwongen. Ze
willen gaan zien: laten we gaan zien het woord dat daar is geschied. In
het duister van de nacht breekt licht door. Een majesteit zal deze Jezus
niet zijn. Geen goddelijke allure. Maar een teken van nul en generlei
waarde. In een voederbak voor dieren! De tekenen die Lucas in beeld brengt zijn veelzeggend.
In een notendop horen we reeds Jezus’ eigen verkondiging doorklinken:
Zalig jullie armen van geest. Heden wordt verwelkomd diegene die
feestelijk begroet zal worden in Jeruzalem. Een goede boodschap die
bestemd is voor heel het volk. Als een herder die zorg draagt voor zijn
schapen. Voor kleine mensen is hij bereikbaar. Een kind is ons geboren,
een zoon ons geschonken; hem wordt de macht op de schouders gelegd en
men noemt Hem: wonderbare raadsman, goddelijke held, eeuwige vader,
vredevorst. Wanneer christenen later gingen zeggen dat God is
mens geworden, dan bedoelden ze daarmee niet dat God even uit de hemel
is neergedaald, om na afloop terug naar die hemel te keren. Zo is het
vaak genoeg begrepen. Maar dit is een complete verdraaiing van de
boodschap van dit feest. Dit verhaal zegt ons: wil je weten wie of wat
God is, dan moet je naar dit kind komen kijken. God is niet de
allergrootste en allermachtigste die we ons kunnen indenken. Hij is
juist het allerkleinste en het meest weerloze dat we ons kunnen
voorstellen. Dit kind doet, zoals elk mensenkind dat geboren wordt, een
beroep op ons om het te omringen met onze zorg. God is het meest
kwetsbare en hulpbehoevende dat er bestaat. Als wij deze zorg niet
opnemen kan God alleen maar blijven roepen om hulp. Onze hulp. Met een buitengewone intuïtie heeft Etty Hillesum de
consequenties hiervan in haar dagboeken verwoord. Dat God ons nodig
heeft is één van haar aangrijpende inzichten die we vandaag willen
overwegen. In 1942 gaat ze op eigen verzoek naar Westerbork, naar het
concentratiekamp voor Nederlandse joden. Daar schrijft ze het volgende
in haar dagboek: "Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al
te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal ook bij dit leven. Ik roep
je er ook niet voor ter verantwoording , jij mag daar later ons voor ter
verantwoording roepen. En haast met iedere hartslag wordt het me
duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten
helpen en dat we de woning in ons waar jij huist, tot het laatste toe
moeten verdedigen." Kerstmis dwingt ons na te denken over ons eigen
godsbeeld. Een pasgeboren kind roept andere dingen in ons wakker dan een
machtige pantocrator, een heerser die buiten deze verwarde en
soms onmenselijke geschiedenis blijft. In deze vaak onherbergzame wereld
nodigt een kind ons uit zelf een plek van warmte en tederheid te worden. Ignace D’hert o.p. |
| |